Stitched Up: hoe de mode-industrie structureel racisme en globale ongelijkheid in de hand werkt

Boekenblog 2! Ik lees best wel wat af in Argentinië en deel graag nieuwe inzichten met de wereld. Deze keer: Stitched Up van Tansy Hoskins, een antikapitalistische ontleding van wat er allemaal mis is met de modeindustrie en hoe het beter kan.

Uit Stitched Up: The Anti-Capitalist Book of Fashion (2014) van de Britse journalist Tansy Hoskins heb ik geleerd …

(1) Eigenaars van grote ketens zijn zo rijk dat ze een heel dorp kunnen opkopen in Engeland.

Jawel, de Persson familie (H&M) is de trotse eigenaar van niet enkel een multinational, maar ook het dorpje Linkenholt, dat door de financiële crisis van 2008 in 2009 te koop stond voor 25 miljoen pond.

Tansy Hoskins fileert vervolgens de structuur van modemagnaten. Inditex, het moederbedrijf van Zara, heeft meer dan 100 dochters – dat succes heeft eigenaar/miljardair Amancio Ortega onder andere te danken aan het feit dat hij gestart is met fast fashion.

Hoe dat precies in zijn werk is gegaan, las ik gedetailleerd in Dana Thomas’ Fashionopolis. De geschiedenis is vrij ironisch.
Kort samengevat: Amerikaanse vakbondsleiders waren niet opgezet met alle offshore productie die NAFTA teweeg heeft gebracht. Dus stelden ze in de jaren 80 voor om in de VS aan ‘quick response manufacturing’ te doen, als antwoord op de periode die nodig is om orders te verschepen van China naar New York.
Orders in zo’n quick response concept zouden klein zijn, waardoor er bovendien minder overstock (en minder afval) zou ontstaan. Win win? Economiebonnebozen van Harvard Business School vreesden in de jaren 90 dat de theorie door buitenlandse concurrenten zou kunnen afgekeken worden.
En dat deed Amancio Ortega dus. ‘Instant fashion’ noemde hij de nieuwe theorie: in Zarafilialen volgden de kleine orders, die eerst in Spanje maar nadien offshore in Marokko (en nu nog veel verder weg geproduceerd worden), elkaar in sneltempo op.
Zo word je als kooplustige consument getriggerd om elke week de nieuwe collectie te bekijken en, bij voorkeur binnen dit businessmodel, op te kopen. Buy now or cry later. Want de week daarop liggen er weer nieuwe items.

Hoskins heeft het over conglomeraten, die steeds meer merken opkopen en zo de markt monopoliseren, zoals PVH en VF. Ook luxemerken passeren de revue: Louis Vuitton wordt de ‘McDonald’s van de luxe’ genoemd, omdat je in elk toeristisch centrum een LV passeert (net zoals je de geur van hamburgers naast elke zowat elke kathedraal tegenkomt). Moederbedrijf LVMH heeft inmiddels, met namen als Dior, Kenzo en Givenchy, een groot deel van het luxesegment in handen. En zo worden de grote steeds groter en blijven de kleintjes klein – tot ook zij opgekocht worden.

De sterkte van het boek van Hoskins, vind ik, is dat veel van deze structuren (machtsstructuren en monopolisering, globale ongelijkheid, rijke bedrijven én rijke landen die steeds rijker worden – en de armen steeds armer – door neoliberalisme, kapitalisme en kolonialisme) problemen zijn die wel bekend in onze oren klinken, maar door ze op een rij te zetten en door ze door te trekken – onder andere ook naar de monopolisering van bedrijven die modebladen uitgeven, wat niet onbekend klinkt gezien ons Belgisch nieuwslandschap amper twee hoofdspelers heeft – wordt voor eens en voor altijd duidelijk hoe compleet scheef die verhoudingen zitten.

Dat wordt nog meer duidelijk in tijden van Corona, wanneer miljoenen arbeiders in de kou blijven staan omdat aandeelhouders schreeuwen om hun dividenten. Tansy Hoskins sprak erover op de podcast Fashion Critical en in een video voor Rainbow Collective. Ik interviewde haar voor One World.

Mijn blog over Fashion Critical: https://ontketening.be/2020/04/12/podcast-fashion-critical-toont-impact-covid-19-op-textielindustrie/

Mijn laatste artikel voor One World: https://www.oneworld.nl/lezen/lifestyle/fair-fashion/time-to-payup-zo-zet-jij-kledingmerken-onder-druk/

(2) Ook de modemedia zijn in handen van conglomeraten. En zij draaien mee in de ratrace, de mallenmolen die steun verleend aan fast fashion en onduurzaam geproduceerde luxegoederen.

Hier in België (en Nederland) weten we dat de meeste media ofwel in handen van De Persgroep, ofwel in handen van Mediahuis zijn. (Ofwel zijn ze van Roularta, maar die zijn een pak kleiner.) Tot zover een eerlijk verdeeld perslandschap. Ook in de internationale modemedia zijn er monopolies, legt Hoskins uit: Condé Nast heeft Vogue in handen, Hearst Company is het bedrijf achter Elle en Marie Claire. En de winst van alle reclame gaat naar …

Het hoofdstuk over media doet mij denken aan de vurige pleidooien van Jozefien Daelemans, in Charlie Magazine en daarbuiten, tégen oppervlakkige modemedia. Herinneren jullie zich dit geniale artikel nog? https://www.charliemag.be/lijf/glossy-leven-voor-even/

Ik mis Charlie Magazine trouwens. Oprecht. Immens. Om voor te schrijven en in te lezen. Wat een troost in deze b(iz)arre tijden had dat geweest.

In haar boek heeft Hoskins het over verschillende vormen van mode: high fashion, dat bijvoorbeeld IT bags produceert en verkoopt aan tien tot twaalf keer (!) de productiekost, en high street fashion, dat juist extreem lage prijzen als maatstaf hanteert. (En niet te vergeten: IT-bags komen óók uit China. Daarvoor verwijst Hoskins naar het vorige boek van Dana Thomas, Deluxe. )

Hoe die prijzenslag tot stand kwam, las ik gedetailleerd in Elizabeth Cline’s Overdressed (je weet al meteen over welk boek mijn volgende boekenblog gaat). Maar waar Hoskins het over heeft in haar hoofdstuk over modemedia en doorheen het hele boek, is hoe de media beide allesbehalve duurzame vormen van mode aanprijst.

Grote merken kopen advertentieruimte en zetten zo ook druk op de redactie om ook in niet-gesponsorde segmenten over hen te schrijven. En aangezien de inkomsten voor zo’n magazine niet afhangen van de verkoopprijs, maar van advertenties, wordt modemedia al snel een volledig gesponsorde bedoening. En zo zie je items waarin IT-bags passeren als redactionele inhoud. En, zo vult Elizabeth Cline in haar boek aan, zoeken de media ook uit hoe je die ene designeroutfit kan bij elkaar shoppen in fast fashion ketens voor een serieus verminderde prijs.

Het kan ook anders.

Modejournalisten zoals Clare Press en Rachel Cernansky tonen dat het anders kan. Ze schreven (in het geval van Press)/schrijven (in het geval van Cernansky) allebei voor Vogue Business, als sustainability editor. Mede door hun pen, hun stem en engagement is Vogue, dat zoveel kritiek te slikken krijgt in Stitched Up en waar ik vroeger zelfs bij de kapper amper in zou bladeren, nu een van de bronnen waarin ik zelf op zoek ga naar nieuws en inzichten over duurzame mode.

Condé Nast, dat Vogue in handen heeft, heeft een Glossary for Sustainable Fashion uitgebracht, om voor eens en voor altijd te duiden wat duurzame mode is en waar we heen moeten. Dat ontwikkelde het in samenwerking met Centre for Sustainable Fashion, London College of Fashion en University of Arts London – niet de minste partners. Ze kregen onder meer hulp van professor Dilys Williams, die ik eerder interviewde voor MO* op een evenement van Flanders Fashion Institute (nu: Flanders DC). Williams is bovendien een van de experts waar ook Hoskins regelmatig naar verwijst.

Ook in eigen land is er een shift: collega Lotte Philipsen doet prachtige dingen voor Knack Weekend (daarover gaven we elkaar eind vorig jaar complimenten op Festival van de Gelijkheid) en zelfs Flair en Het Laatste Nieuws publiceerden de laatste jaren een aantal artikels over duurzame mode.

Dit doet me denken aan mijn collega Aurélie Van de Peer, socioloog en journalist, die aan de lijn eens een vurig pleidooi hield dat àlle modejournalisten zouden moeten werken rond duurzaamheid. Momenteel werkt ze aan een hoofdstuk voor het boek ‘Insights on Fashion Journalism’ (Routledge, verwacht in 2021). ‘Ik schrijf deze zomer mee aan een academisch boek over modejournalistiek, waar ik de laatste ongepubliceerde bevindingen uit mijn doctoraat neerpen’, mailt ze enthousiast. Ik kijk ernaar uit om haar hier ooit over te interviewen.

Het doet me ook denken aan Tanzir (niet haar volledige naam), die als vrijwilliger na Rana Plaza puin geraapt heeft en nadien als overheidsinspecteur licenties uitgaf in de textielindustrie van Bangladesh. Daar is ze al lang weg: ze studeert nu antropologie in België, klust bij als fotograaf en hoop terug te keren naar Bangladesh voor een heel andere reden. ‘Ik wil graag ooit een fotoreportage maken over de vrouwen achter onze kleren.’

‘Pas als we de mensen achter je kleerkast leert kennen, naar hun verhalen luistert, worden we aangespoord om iets voor hen te doen’, gelooft Tanzir. ‘Als gewone consument kan je iets veranderen. We kunnen druk zetten op fabrieksbazen om meer te doen voor hun werknemers, want enkel zo zal er een positief verhaal verteld worden. Door verhalen kan je alle betrokkenen inspireren om beter te doen. Weet je, er zijn zoveel modebladen. Die verschijnen maandelijks, wekelijks zelfs, in zoveel verschillende talen. Maar in die magazines lees je niet de verhalen van de vrouwen die de kleren maken. Niemand geeft om hen.’

Lees het interview met Tanzir via MO*: https://www.mo.be/analyse/zeven-jaar-na-instorting-fabriekscomplex-blijft-rana-plaza-slachtoffers-maken

Chen Vandeput fotografeert Jozefien Daelemans voor Charlie Magazine.
En of dat er een plezante shoot uitziet.
Screenshot met toestemming van de fotograaf en auteur.

(3) Klant is geen koning. Merken en marketing zijn koning. ‘Far from being “kings” who control the market, consumers of fashion are used to generate vast profits for corporations who create false needs’, schrijft Hoskins in haar derde hoofdstuk. Een gedachtengang waar ze meermaals op terugkomt doorheen het boek.

‘Buy less, spend more.’ Het is een van de tips die duurzaamheidsgoeroes telkens opnieuw stellen: je hoeft lang geen honderd nieuwe kledingstukken in te slaan, ga liever voor kwaliteit, heb lief wat je koopt (#lovedclotheslast), kies voor kwaliteit en doe er langer mee. Hoskins vraagt zich af: ‘who can afford this?’ Ze neemt het op voor de Primarkshopper. Het is niet dat soort shopgrage tieners die we moeten viseren, vindt ze: ‘It’s not a teenage primark costumer that owns 4000 pair of shoes.’

Fashion environmentalists are often accused of being elitist and of using fast-fashion to blame the poorest members of society for climate change. Should fast-fashion be left alone because it makes working-class life better in the same manner as cheap flights? The short answer is no. Fast-fashion is a false emancipation that is disastrous for the global working class. It is the working class that are held captive in sweatshops, have their unions smashed by Walmart and their homes flooded or turned to dust by climate change. It is the working class that end up wearing poor-quality clothes that easily wear out and are quickly scorned as unfashionable. It’s the working classes that are forced by low wages and the homogenisation of high streets into shopping or working at cheap shops like Primark. (…) Fast-fashion is not pro-working class; it must be critiqued as a product of corporations’ drive for profit, not as the fault of the poor.

Hoofdstuk 5: A bitter harvest

Dat doet me enorm denken aan de discussie in eigen land, bij de heropening van de winkels. Journalisten op nieuwssites beschrijven de ‘overrompeling’ bij Primarkfilialen. Wie opkomt voor duurzaamheid (waaronder ikzelf), fronst serieus zijn wenkbrauwen. Armoedeorganisaties reageren dat mensen met lage inkomens niet altijd de keuze hebben. Online shoppen kunnen ze ook al niet, want een deel van de Belgen heeft nog steeds geen toegang tot internet.

‘In de reguliere pers en op sociale media leefde de hoop erg dat deze crisis het startsignaal zou zijn van een verandering in het consumptiegedrag’, reageert socioloog Aurélie Van de Peer. ‘Maar bij de heropening van de winkels zag je rijen aan fast fashion ketens als Zara en Primark. De morele verontwaardiging was groot. Uitroepen zoals “reality check” overheersten het discours. Net bij deze ongetwijfeld goedbedoelde reacties wil ik tegengas bieden. Gaan wij werkelijk mensen die geen internet kunnen betalen om in de coronacrisis hun kleding online te kopen beschamen omdat zij in de rij gaan staat voor kleding die snel kapot gaat waardoor zij twee maanden later weer tussen de winkelrekken verschijnen? Gaan wij werkelijk zij die in onze samenleving sowieso achterop hinken het gevoel ontzeggen “bij te blijven” door te doen wat onze samenleving ons leert te doen om onze aanwezigheid, onze relevantie te uiten en te manifesteren — kopen. Natuurlijk voel ik ook teleurstelling wanneer ik deze rijen zie staan, maar ik behoed mij om mij moreel superieur te voelen in mijn fair fashion jumpsuit van 220 euro. De fair fashion wereld moet ook haar privileges herkennen.’

Zelf heb ik eerder, ik dacht in de groep van Gent Fair Trade, verkondigd dat ik niemand die met een Primarktas die winkel buitenkomt wil vingerwijzen, want we kennen nu eenmaal mensen hun achtergrond niet. (Als ze met twee of drie van die gigagrote tassen buitenkomen, dat is een ander verhaal.)

Ik heb zelf twee kledingstukken van Primark, een pyjama en een dikke winterjas, die ik ooit gekocht heb toen ik als student – zonder beurs – een maand in Londen thesisonderzoek gedaan heb.

Ik was niet arm, ik werd ondersteund door mijn ouders, maar een groot deel van mijn onderzoek heb ik wel zelf bekostigd. En ik had koud. Bij mijn aankomst was het Indian summer, maar een paar weken later was Londen de (gr)ijskoude stad zoals we die kennen uit de films. De personen die mijn winterjas zouden brengen (op voorhand was dat zo afgesproken, om niet te veel te sleuren met gerief), konden door omstandigheden niet meer langskomen. Ik begrijp mijn keuze van toen, om te kiezen voor een goedkope jas in die omstandigheden, nog steeds. Zou ik dat opnieuw doen? Nee. Maar ik begrijp het wel. Ik wil daar ook niet hypocriet in zijn. En, wat meer is: ik draag die stukken wel nog steeds. Dat blijft de beste manier om een aankoop te rechtvaardigen: loved clothes last.

Dus ik begrijp ook als mensen met een werkloosheidsuitkering of geen inkomsten in de lockdown die echt nieuwe kleren gekocht hebben, doordat ze pakweg vijf kilo zijn afgevallen tijdens de crisis (om het eens over iets anders dan extra quarantainekilo’s te hebben – want wie heeft dat verzonnen?), ja, dat begrijp ik. Dat die mensen niet altijd naar de tweedehandswinkel willen, ook al zijn die echt vol pareltjes en is tweedehands gelukkig weer hip geworden bij alle soorten consumenten de laatste jaren … dat vind ik jammer, maar dat begrijp ik ergens ook.

Het enige wat ik minder begrijp is dat er in die overrompeling sowieso een heleboel mensen gezeten hebben die niét in die situatie zitten, die shoppen om te shoppen, die niks nodig hebben, die een verzetje wilden, die vasthangen aan het idee dat zoiets materieels als extra kleding een gat in hun bestaan kan opvullen terwijl dat helemaal helemaal helemaal niet het geval is.

Ook daarin ben ik een moraalridder, vermoedelijk, tot vervelens toe, besef ik van mezelf. Maar het is zo’n cliché dat vrouwen houden van niks anders dan shoppen. Ben ik nu met mijn schrijfsels - in het beste geval - mensen van hun hobby aan het doen afkicken, hetgeen dat ze het leukst vinden in de hele wereld? Maar dan denk ik: ja, want het is nodig, want er zijn te veel mensen die benadeeld worden door dat zogezegde leuke tijdverdrijf - eigenlijk iedereen, want de planeet is er ook niet altijd gediend.

Volgens Hoskins draagt de individuele consument, of die nu bij Primark shopt of elders, hoe dan ook niet de verantwoordelijkheid om de industrie te verduurzamen.

Via mail blikt ze terug op die uitspraak. ‘De mode-industrie creëert de illusie dat we kunnen stemmen met ons geld en dat merken geen andere keuze hebben dan naar ons te luisteren. De waarheid is echter dat deze sector helemaal niet zo “democratisch” is. Merken zijn als dictators. Ze hebben al het geld en de macht in handen. Deze ongelijkheid krijgen we er alleen uit als we collectief samenwerken, wereldwijd. Laten we beleidsmakers oproepen om merken te vervolgen voor mensenrechtenschendingen.’

Vanuit die gedachtengang argumenteert Hoskins dat ethisch shoppen niet kan bestaan. Daar ben ik het niet mee (zie onder andere dit interview). Hier kom ik op terug in een volgende blog.

Photo by frankie cordoba on Unsplash

(4) Mode is racistisch. En de mode-industrie moet dringend gedekoloniseerd worden.

Een van mijn beste vriendinnen werkt bij Dior. Net als zovele andere winkelbediendes zat zij in hartje lockdown thuis, technisch werkloos, en had ze – net als mij – veel tijd om te lezen. Zo bleek dat wij ongeveer op hetzelfde moment allebei aan het lezen waren over de ‘New Look’ van Dior – Melanie vanuit het perspectief van het luxemerk, ik vanuit het perspectief van Tansy Hoskins.

In haar boek verwijt Hoskins een aantal zeer grote namen in de mode-industrie – Dior is er een van, maar ook Coco Chanel blijft niet gespaard – hun schimmig verleden. Kledij maken voor nazi-Duitsland? En daarmee wegkomen? Of recenter: antisemitische uitspraken doen (en daarvoor veroordeeld worden) in een café in Parijs, zoals chief designer John Galliano deed in 2011? ‘Vergeet dit nooit meer: mode is racistisch’, meent de auteur.

En niet enkel omwille van sympathieën voor fascistische regimes. Hoeveel zwarte modellen ken je? Naomi Campbell, en wie nog? Hoe vaak zie je een persoon met een andere huidskleur dan wit, witter, witst op de cover van modemagazines? Als er zwarte modellen gevraagd worden, zien we hen bovendien vaak in een ‘racistische setting’. Of is het normaal dat Naomi Campbell afgebeeld wordt tussen cheetah’s? Ook refereert Hoskins naar een fotoshoot voor IT bags in de sloppenwijken in India. De ‘modellen’ worden er niet eens bij naam genoemd.

De oorsprong van de mode-industrie, zo legt Hoskins al vrij snel uit, kan teruggebracht worden op de slavenhandel. Hoeveel katoen is niet geteeld door Afrikaanse slaven in de VS? En hoe vaak was textiel geen ruilmiddel om slaven mee te kopen? Misbruik in de mode-industrie dateert van lang voor fast fashion. Hoskins heeft het ook over de industrialisering en hoe de komst van de spinning jenny (herinneren jullie je geschiedenisles nog?) leest als een intrieste roman van Charles Dickens. ‘Workers with the least money were forced to give up self-employment and seek factory work’, schrijft Hoskins. Dat is nog steeds aan de gang, zij het aan de andere kant van de wereld. En ook dat heeft alles te maken met het structureel racisme dat de basis vormt van slavenhandel en, uiteindelijk, kolonisering en onze huidige postkoloniale witte bril.

Opnieuw: de sterkte van dit boek is dat deze structuren wel bekend zijn, maar we kiezen ervoor om ernaast te kijken, om er niet verder over na te denken. We prijzen ons gelukkig dat we in de ‘eerste wereld’ (wat – gelukkig – al lang geen juiste term meer is) geboren zijn, aanvaarden ons privilege en stellen ons zo weinig mogelijk vragen bij de kostprijs van producten waar ‘made in China’ of ‘made in Bangladesh’ op staat. En dat zit fout.

Hoskins schrijft dit boek vanuit haar Britse achtergrond. Het is niet toevallig dat het gaat over ‘made in Bangladesh’, ‘made in Pakistan’ of ‘made in India’: alledrie zijn het voormalige Britse kolonies. Zelf reisde ik afgelopen zomer naar Indonesië om de kledingindustrie daar onder de loep te nemen: een Nederlandse ex-kolonie.

In ‘Congo’ van David Van Reybrouck (nog zo’n boek dat tijdens deze pandemie de revue gepasseerd is) las ik dat in “onze eigen” voormalige kolonie, naast het bekende rubber, ook katoen geteeld werd. Of dat nog het geval is, zou ik moeten opzoeken – het lijkt me alleszins niet de grote katoenleverancier van deze wereld. Maar Congo blijft een land vol natuurlijke rijkdommen – kobalt, om er eentje op te noemen – en die verdwijnen allemaal in onze smartphones, zonder dat wij ons daar al te veel vragen bij stellen. En wat wint de bevolking van Congo, India, Pakistan en Bangladesh daarbij?

Mark Anner, professor aan Penn State University en hoofd van het Center for Global Workers’ Rights, had het in een recente webinar over de redenen waarom er geen sociaal vangnet is in landen waar kleding gestikt worden – er komt nochtans genoeg buitenlands geld binnen. Het antwoord heeft onder andere te maken met de manier waarop die landen dat buitenlands geld, koste wat het kost*, proberen aan te trekken. ‘Veel productielanden lokken merken door belastingsvrije exportzones te creëren’, legt Anner uit. ‘Bangladesh hangt voor vier vijfden af van de textielindustrie, maar daarvan vloeit maar weinig terug naar de overheid. Hoe kunnen zij dan geld genoeg genereren om een degelijke sociale zekerheid op te zetten?’

* Koste wat het kost: dat gaat niet enkel op voor taksvrije zones of lage lonen, maar ook over schrijnende arbeidsomstandigheden en het terugschroeven van verworven vrijheden. Diewertje Heyl van Arisa legde mij uit dat de Indische overheid de arbeidswetgeving opschort in de hoop opnieuw werk aan te trekken. ‘Arbeiders mogen tot 12 uur per dag werken volgens de nieuwe regeling. Dat zou willen zeggen dat werkweken kunnen oplopen tot 84 uur. Veiligheid, gezondheid, vakbondsvrijheid, minimumlonen: alles wat moet volgens ILO-conventies, is nu tijdelijk van de baan. Inspecties worden niet meer gerealiseerd. En ook vakbonden en ngo’s kunnen onmogelijk hun werk doen, omdat ze het moeilijk hebben om in contact te komen met arbeiders.’

‘No clothes exist that have been made without the exploitation of human labour’, stelt Hoskins in haar boek.

Het misbruik is nog lang niet afgelopen. Hoskins sprak zich daar afgelopen week, in volle BlackLivesMatter-campagne (al weet ik niet of campagne hier het juiste woord is, eerder: het bewustzijn van structureel, institutioneel racisme als een collectief ontwaken en hopelijk niet meer in slaap vallen) opnieuw over uit:

‘Just as the fashion industry would not exist without the exploitation of women or the planet, it would NOT EXIST without the exploitation of people of colour’, schrijft de auteur op Twitter.

Vergeet dit nooit meer.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.