Kunnen we het nu eens echt over degrowth hebben?

Tussen droom en daad staan wetten, praktische bezwaren en winstmarges. De Antwerpse Fashion Talks beloofde inzichten over de nood aan ontgroeien. Is de tijd gekomen om die dialoog werkelijk aan te gaan? Of laten we ons nog steeds afleiden door commerciële druk en andere belangen?

Beauty can be a powerful distraction. Die slogan zag ik, kort, flitsend, op het einde van de nieuwste tentoonstelling van het ModeMuseum in Antwerpen. De collectie heet E/Motion, Mode in transitie. Tientallen mannequins nemen ons mee van 9/11 tot de recentste recessie, van het prille begin van de covid-pandemie tot ontwerpen uit het verleden die precies uit de toekomst lijken te komen.

Van die toekomst hoeven we geen schrik te hebben, stelt rasontwerper Walter Van Beirendonck met een van zijn tentoongestelde ensembles. Welcome little stranger, zoals de collectie heet, dateert al van 1997. Buitenaardse wezens, zoals zijn muze in dit geval, zijn niet per se vijandig of, zo staat het er, verwerpelijk. ‘Met deze collectie wil Van Beirendonck ons ertoe aanzetten om onbevooroordeeld en met nieuwsgierigheid naar elkaar te kijken, en niet alles te verwerpen wat nieuw of afwijkend is.’

Het is geen toeval dat ik net voor de Fashion Talks in Antwerpen in het MoMu beland. Dankzij mijn toegangsticket voor het tweejaarlijkse congres, georganiseerd door Flanders DC, kon ik gratis het museum binnen. Ik was er, ondanks mijn specialisatie als journalist, eerlijk gezegd nooit eerder geraakt. Dat zegt misschien veel met welke ogen ik “de mode” bekijk. Ik zie toeleveringsketens, ongelijkheid, overconsumptie, mensenrechtenschendingen en schrijnende milieuverontreiniging. Anderen zien mode en schoonheid als ‘krachtig afleidingsmanoeuvre’. In het midden tussen beide perspectieven zit allicht de waarheid, de ware aard van deze sector. Of zoals de Phoenixinstallatie op het einde van de tijdelijke tentoonstelling in het MoMu poneert, in nog zo’n snelle quote, ‘dialogue is the best way to evolve’.

‘What we leave behind’

Fast forward naar de Fashion Talks. Beeld je geroezemoes in, klinkende glazen, bakjes troost uit een haperende espressomachine, kleine en grote gebakjes met rode vruchten en slagroom. En gesprekken, dialogen, debatten.

Het meest keek ik, niet toevallig, uit naar een panelgesprek onder leiding van Vestoj-hoofdredacteur Anja Aronowsky Cronberg, getiteld ‘How to Fix Overconsumption: a debate about profit, doubt and what we leave behind’. Als de moderator haar panel finaal het woord geeft, halen twee van de drie sprekers aan dat ze met weemoed terugdenken aan de ambachten en hoezeer die dreigen te verdwijnen. Vandaar, vermoedelijk: ‘what we leave behind’.

Eerder las ik hierover een queeste, The Coat Route van de Amerikaanse auteur Meg Lukens Noonan. Haar boek is tegelijk een loflied voor minutieus op maat gemaakte kostuums als een grafrede voor dergelijke ‘bespokeness’. ‘Bespoke’, misschien is dat wel een van de mooiste woorden in de Engelse taal, toch als je graag langs Savile Row in Londen struint. Hoe vertaal je de term in hemelsnaam? Woordenboeken en vertaaltools stellen voor dat ik het woord ‘maatwerk’ hanteer, maar daar lijkt de elegantie, de panache van zo’n ontwerp niet voldoende in de verf te zetten.

Het is maar hoe je iets omschrijft, natuurlijk. Waarom hebben we het steeds over arbeiders, had een van de panelleden aangehaald. Is het niet eervoller om hen te bestempelen als ambachtslieden? Om te spreken over ‘vakmanschap’? ‘Artisanale producten’ hebben inderdaad een andere bijklank dan ‘ondankbaar werk’ of ‘noeste arbeid’. Net als de garantie dat iets in elkaar gestikt werd in een familie-atelier ons meer geruststelt dan een productieproces zoals het bandwerk dat ik met mijn eigen ogen zag op reportage in Bangladesh en Indonesië.

Maar over wie hebben we het nu eigenlijk? Voor wie voeren we deze gesprekken? Wat is het doel om deze Fashion Talks te houden? In Antwerpen zijn verwijzingen naar ontwerp als business, als broodwinning en als ‘krachtig afleidingsmanoeuvre’ alomtegenwoordig. Dat mag niet verwonderen, gezien de locatie: de Handelsbeurs, recent gerenoveerd erfgoed uit de zestiende eeuw, een knooppunt voor commerciële activiteiten in het Europa van weleer. Is dit werkelijk de juiste plek om het paradigma van de ‘eeuwige groei’ te overstijgen?

Degrowth: what’s in a name?

Net daarom had ik de hele dag uitgekeken naar het debat over overconsumptie. Een van de organisatoren, een werknemer van Flanders DC, had me maanden daarvoor al een dolenthousiast bericht gestuurd. De Fashion Talks zouden onder meer in teken van degrowth staan, appte ze. Mijn hart ging sneller slaan bij die aankondiging. Dergelijke hartkloppingen herhaalden zich evenwel niet tijdens het panel zelf. Het leek nog niet in de buurt te komen van wat de term werkelijk inhoudt.

Misschien ben ik te streng. Misschien zit er juist veel waarde in uitkomen wat we te verliezen hebben, en kan je tussen de lijnen door wel ontgroeifilosofie ontwaren. In Earth Logic Fashion Action Research Plan hemelen de gerenommeerde Britse academici Kate Fletcher en Mathilda Tham ook de rol van ambachten en lokale productie op. Maar, schrijven Fletcher en Tham, die tendens moet hand in hand gaan met een noodrem voor onze overconsumptie. Willen we overleven, moeten we het doen met minder. Eén roeiboot, meer krijgen we niet qua ruimte om onze spullen op te bergen. Het is een metafoor om u tegen te zeggen. Zou mijn kleerkast daar überhaupt in passen?

Recent verscheen de Nederlandse vertaling van Less is More, het pleidooi voor degrowth van economisch antropoloog Jason Hickel. Wie het las, of zelfs alleen maar de auteur volgt op Twitter, weet dat groei en welvaart al te vaak ten onrechte als synoniemen gezien worden. Maar, zo duidde de auteur onlangs in het (niet bepaald linkse) zakenblad Trends, ‘je kunt perfect een markt hebben zonder kapitalisme’. Hij noemt de ommezwaai naar een andere economie zelfs ‘onvermijdelijk’.

Helaas: in zoveel andere debatten blijft de verwijzing naar overconsumptie en de nood aan ontgroeien, waar steeds meer economen zoals Hickel maar bijvoorbeeld ook UAntwerpen-lector Jonas Van der Slycken voor pleiten, op de achtergrond. Dat merkte ik ook tijdens de gesprekken op het Copenhagen Fashion Summit, dat dit jaar grotendeels zelfs in het teken van “degrowth” zou staan. Ondanks het actuele thema bleef menig dialoog op de vlakte. De echte nood aan ontgroeien, hoezeer onze planeet er ook om vraagt, daar zijn we precies nog niet aan toe.

Tussen droom en daad staan wetten en praktische bezwaren. En aandeelhouders, en winstmarges, en een kapitalistisch systeem, dat ook. Niet dat de aandeelhouders letterlijk een stem kregen. Maar het is duidelijk dat zowel mode-ontwerp als retail twee loodzware bedrijfstakken zijn. Als je daarin iets wil bereiken, heb je, naast talent en creativiteit, kapitaal nodig.

‘This whole time the solution was right under our noses’

Talent en creativiteit krijgen juist centre stage op de Fashion Talks. Australische journalist Clare Press, die in een keynote via video het congres inleidde, had het aangekondigd. ‘Gelukkig,’ zo klonk haar vooraf opgenomen boodschap, ‘zijn er wel degelijk oplossingen, en die bevinden zich recht onder onze eigen neus.’ Antwerpen zit vol creatieve geesten, prees ze de modescène in België, en creativiteit kan ons uit deze crisis loodsen.

Tijdens de Belgian Fashion Awards, die volgden op de Fashion Talks, werd dergelijke creativiteit in de bloemetjes gezet. De award voor ‘changemaker’ ging naar een ondernemer, Cédric Vanhoeck, die het recyclageproces van textiel in een stroomversnelling wil brengen. En mode-ontwerper Walter Van Beirendonck ontving de juryprijs, de grootste eer van de avond, voor veertig jaar buitenaardse wezens en andere provocatieve of juist prachtige ontwerpen die pronken in het MoMu.

Het brengt modeontwerp terug naar zijn essentie: rastalent, verlichte geesten, vooruitstrevende ideeën. Het contrast met het klimaat waarin onze mode-industrie op dit moment opereert, kan niet groter zijn. Er zijn kapers op de kust die onze aandacht opeisen. En ook zij kregen een podium tijdens de Fashion Talks. Neem nu de snelle, flitsende keynote van Canadese retailexpert (‘profeet’, dat woord gebruikte hij zelf) Doug Stephens. In een Pecha Kucha-achtige presentatie (‘honderdvijftig slides op twintig minuten!’) gaf hij uitleg bij de marketingstrategieën van geijkte namen zoals Nike en Patagonia. Boeiend, zoveel is zeker, maar tegelijk ook veelzeggend over hoezeer marketeers en ‘profeten’ de markt weten te bespelen.

Het is zelfs zo ver gekomen, klonk het in de keynote, dat burgers meer vertrouwen hebben in merken dan in overheden. Nike bezorgt ons meer gemoedsrust dan een ministerie van Duurzame Ontwikkeling. Dat stemt mij tot nadenken. Hoe gaan we, onder dergelijke omstandigheden, de crisis in de mode-industrie dan in godsnaam oplossen? Hoe kunnen we de dialoog verder op scherp krijgen als zelfs een organisatie zoals Flanders DC, die erin slaagt zoveel verschillende perspectieven op deze sector samen te brengen, een deel van zijn middelen dreigt te verliezen?

‘The whole concept of fashion is outdated’

‘The whole system of seasonality is outdated. The whole concept of fashion is outdated.’ Het is een laatste quote van de Phoenixinstallatie in het MoMu. En het lijkt zo nauw betrokken bij het congres dat op mijn bezoek volgde, dat dat geen toeval kan zijn.

Het eerste deel van het citaat verwijst vermoedelijk, onder meer, naar een open brief die verscheen tijdens de pandemie over hoezeer we te snel willen gaan in de mode-industrie. Meermaals is ernaar verwezen tijdens de Fashion Talks. Clare Press was de eerste die het aanhaalde, ze herinnerde ons dat de auteur van de brief een ‘brilliant Belgian’ is, ontwerper Dries Van Noten, die af wil van vier collecties per jaar. In The Business of Fashion stelde hij zelfs een geheel nieuwe modekalender voor. Of die modekalender gevolgd zal worden, daar hebben andere sprekers tijdens het congres hun twijfels bij. Maar het feit dat de wens uitgesproken wordt, dat de dialoog op gang is, zegt iets over de veranderende tijdsgeest.

Dat brengt ons bij het tweede deel van het citaat. The whole concept of fashion is outdated. Mode is passé. Of, zoals Van Beirendonck in de jaren 90 al aankondigde, de mode is dood! Is dit werkelijk een doodsvonnis? Ik deelde het citaat op Instagram, nog zo’n modegril. ‘Dit voelt wel ironisch voor mij,’ had een academicus met mij gedeeld via DM, ‘of performatief.’ We gingen er niet verder op door, want al snel was er iets anders dat de aandacht vroeg op het sociale medium. Ook dat is de mode. Maar haar bedenkingen blijven nazinderen.

‘Praise the lord!’

Aan het begin van de pandemie, zo rond dezelfde tijd dat Dries Van Noten met zijn vernieuwde modekalender naar buiten kwam, maakte ik deel uit van, hoe zal ik het noemen, een denktank. Een academisch collectief, zo je wil, al hoefde je zelf geen doctoraat te hebben om eraan deel te nemen. Of een veredeld leesclubje. Fashion In Crisis, zo had de initiatiefnemer Monica Titton het genoemd. Veelzeggend, en niet alleen omwille van de link met de covid-19-crisis.

Titton werkt als modetheoreticus aan de Universiteit voor Toegepaste Kunsten in Wenen. Ze bezit het benijdenswaardige talent om elke deelnemer aan zo’n debat zich gewaardeerd en gehoord te laten voelen. Zo kwamen tijdens een tiental Zoomsessies, net als tijdens de Fashion Talks in Antwerpen, denkers en doeners van allerlei rang en stand samen om “de mode” te bespreken. ‘Uiteindelijk,’ vatte de modetheoreticus samen na afloop van een aantal sessies, ‘komen al onze discussies neer op een kritiek op het kapitalistisch systeem an sich.

Wat we in de beslotenheid van Zoomdiscussies kunnen bereiken, lijkt nog niet helemaal te lukken op congressen die verschillende, ook commerciële, belangen dienen. Maar ik ben er rotsvast van overtuigd dat we daarheen op weg zijn. Daar ving ik een glimps van op toen ontwerper Pieter Mulier het podium betrad.

De laatste, meest gevierde spreker op de Fashion Talks was Mulier, lange tijd de rechterhand van mode-ontwerper Raf Simons. ‘Duurzaamheid? Ja, zo noemen we het tegenwoordig. Maar die term kan zo leeg aanvoelen’, laat hij zich ontvallen. Samen met Simons werkte hij voor Calvin Klein, nog zo’n merk dat in de presentatie van retailprofeet Doug Stephens had gepast. ‘Daar zag ik the other side of the American Dream’, vertelt hij onomwonden. Hij werd misselijk, gaat hij verder in detail, van de grote hoeveelheid collecties die ze moesten ‘uitbraken’. ‘Wie koopt dat? Wie draagt dat? Ik weet het nog steeds niet.’

Het eerste wat hij zei tegen het modehuis waar hij nu bij tekende, Alaïa genaamd, is dat hij niet wou ontwerpen om te ontwerpen, om een product te maken om aan de lopende band te verkopen. Sneakers, bijvoorbeeld. Hij mocht er niet aan denken. ‘Praise the lord,’ was de reactie van het merk, ‘want dat is het laatste wat wij willen bereiken.’

De rest van het verhaal klonk als een sprookje. Een mooi staaltje marketing, allicht. Maar ook: een toonbeeld van vakmanschap, een teken van respect, en een teken aan de wand. Praise the lord.

Voor Culture.Fashion schreef ik in december 2021 deze reflectie op de Fashion Talks.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.