‘Er is geen enkel excuus om de wereld als stort te gebruiken’

Tweedehandskledij vervuilt de Ghanese stranden. Brengen wetgeving en een omstreden samenwerking met fastfashiongigant soelaas?

‘Hoor je de melodie? Voel je het ritme? Dagelijks zingen de vrouwen dit lied, om zichzelf op te peppen.’

Op een strand in Moree, een dorp op 140 kilometer van de Ghanese hoofdstad Accra, weerklinkt een protestlied. Zo komt het over, althans, al blijkt de vertaling van het Fante minder spectaculair te zijn. In de Engelse vertaling van Kennedy Antwi, regionale manager van Ecozoil en mijn contact ter plaatse, klinkt het nog fel: ‘Bring it!’ Maar eigenlijk zingen deze vuilnisophaalsters gewoon: ‘geef mij al die brol door’.

Misschien is een protestlied geen slechte interpretatie. Misschien is het juist geoorloofd om dat zo te stellen, want de opkuis die deze vrouwen aanvatten, geeft ook Antwi toe, leunt aan bij de twaalf werken van Hercules.

In de hoofdstad Accra bevindt zich, volgens schattingen van de ngo The OR Foundation, de ‘grootste tweedehandsmarkt ter wereld’: Kantamanto Market. Maar liefst 30.000 mensen werken er tussen de afdankertjes. Een deel van de markt is open en palmt een hele buurt in, een ander deel is overdekt. Het is vergelijkbaar met een soek in Marrakesh of Istanbul, maar dan met smallere gangen, rommeliger waar en een stuk lagere prijzen.

Als een bezetene sorteert retailer Franklin Asaa haar koopwaar. Slechts enkele stuks vouwt ze mooi op. Ze verwijst naar die stapel als ‘first selection’, eerste keus. Het merendeel gooit ze achter haar schouder om, op een hoop. Naarmate ze steeds verder door de baal heen raakt, verliest ze haar geduld en humeur. ‘Ik ga nul winst maken op deze kleren. Meer zelfs, ik ga hier geld aan verliezen.’

Ondanks alles is Kantamanto Market een van de meest creatieve plekken die ik ooit bezocht als journalist. Onder de 30.000 arbeiders op de markt zijn heel wat upcyclers te vinden, creatieve herstellers van de tweedehandskleding. Ze leggen jeansbroeken in, verven ze opnieuw of doen er iets helemaal anders en nieuws mee. Dat laatste is in principe de definitie van upcycling: een geheel nieuw ontwerp maken van een bestaand product.

‘Kantamanto is noch goed, noch slecht’, concludeert activiste Liz Ricketts van The OR Foundation. Dat de markt ook grondstoffen levert voor creatieve uitlatingen, stemt haar hoopvol. Kantamanto volgens haar inschattingen niet enkel de grootste tweedehandsmarkt ter wereld, het is ook de plek waar het meest aan upcycling gedaan wordt.

Op grote schaal kledingstukken alsnog een tweede leven te gunnen, niet zomaar als donatie maar via upcycling, kan anderen inspireren om meer waarde te hechten aan hun kleerkast.

Enkele geüpcyclede hemden zijn natuurlijk geen volwaardige remedie voor een modesysteem dat doordraait – waardoor veel andere hemden voor de kust van West-Afrika blijven aanspoelen. Wat kan dan een structurele oplossing zijn?

Momenteel is in Europa wetgeving over UPV in de maak. Die afkorting staat voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (ook bekend als EPR of Extended Producer Responsibility). Het wil zeggen dat er regels komen die bedrijven zullen verplichten om in te staan voor de volledige levenscyclus van hun producten, en dus ook om beter om te gaan met hun afval.

Dat geldt zowel voor de onverkochte stock in hun winkels (in vaktermen ‘preconsumer genoemd) als voor textielafval (postconsumer). Met andere woorden: het gaat ook kleding die u en ik nu nog in onze kleerkast hebben hangen, maar die we niet meer dragen en die we binnenkort allicht, “in het beste geval” en met de beste bedoelingen in zo’n kledingcontainer droppen.

Frankrijk is momenteel het enige land waar textielproducenten nu al een uitgebreide verantwoordelijkheid hebben. En behalve op Europees niveau wordt er ook al in België en Nederland aan wetgeving voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid gewerkt.

Een aantal merken lopen vooruit op de wetgeving.

Enerzijds zien we de laatste maanden in steeds meer kledingwinkels teruggavebakken. Wie zijn kleding niet meer draagt, kan die niet enkel in textielcontainers droppen maar ook teruggeven aan de winkel.

Anderzijds heeft een van de grootste merken van vandaag een eigen ‘EPR Fund’ of ‘UPV Fonds’ opgericht. Dat zou willen zeggen dat het geld vrijmaakt om de producentenverantwoordelijkheid te helpen realiseren.

Het Chinese bedrijf Shein gaat de komende vijf jaar een engagement aan voor voor 50 miljoen dollar. The OR Foundation krijgt de komende drie jaar 5 miljoen dollar geld per jaar van het merk. Dat geld zal de ngo gebruiken om haar sociale programma’s verder uit te werken.

In hoeverre is dat greenwashing? Daarover schreef ik dit stuk voor MO* Magazine: https://www.mo.be/reportage/er-geen-enkel-excuus-om-de-wereld-als-stort-te-gebruiken

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.