Plots sta je oog in oog met een vuilnisman in een Belgacomuniform in een stad in West-Afrika. Hoe komt een pak van bij ons dààr terecht? De zoektocht naar het antwoord op die vraag legt een weinig duurzame praktijk bloot: werkkledij wordt doorgaans vernietigd na gebruik. En dat terwijl Europa steeds meer hamert op een circulaire textielindustrie.
“Heb ik wat van je aan misschien?” Zo zou je de reactie van de ambtenaar die ik aanstaar in Accra nog het best kunnen vertalen. Op het eerste zicht is het antwoord misschien wel “ja”. De gemeentelijke vuilnisophaler heeft geen uniform van de stad aan, maar een appelblauwzeegroen tenue met daarop het opvallende – en voor mij bijzonder herkenbare – logo van Belgacom.
De ambtenaar vertelt kort dat hij hem lokaal op de kop kon tikken en staat me toe snel een foto te maken. Dan rijdt hij weg, zonder zijn naam te vertellen. Belgacomman, zo noem ik hem bij gebrek aan beter pseudoniem, winkelt graag op de tweedehandsmarkt in Accra, de grootste van West-Afrika. Die plek, dat bruisend doolhof vol vintage troep, is exact de reden waarom ik in het land verzeild geraakt ben.
In Ghana, een land met 31 miljoen inwoners, komen er wekelijks 15 miljoen kledingstukken binnen – goed voor een “nieuw” T-shirt per persoon om de twee weken. In Noord-West-Europa alleen al gooien we jaarlijks 5,2 miljoen ton textiel weg. Belgen dumpen gemiddeld 60 kledingstukken per jaar en zijn zo koploper van Europa. Naar Ghana exporteert ons land jaarlijks tweedehandsjes ter waarde van zo’n 2 miljoen dollar. In 2020 was Ghana daarmee de grootste opslagplaats van gebruikte kleding ter wereld: het importeerde textiel met een waarde van 182 miljoen dollar. Naar schatting belandt zowat de helft op een afvalhoop of in de natuur. In het regenseizoen sleurt de moesson die kledij mee richting zee, met alle ecologische gevolgen vandien: de Ghanese stranden liggen vol truitjes en tenues.
Minstens één Belgacomuniform ontsnapt aan dat lot. Belgacomman hergebruikt de plunje om vuilnis te rapen in de straten en – de ironie! – op de stranden van de sterk vervuilde hoofdstad. Lang na mijn bezoek blijft de vraag nazinderen: hoe komt dat logo in Accra terecht? Een jaar later beslis ik om het verder te onderzoeken, als ware Sherlock Holmes van de werkkledij.
Een van de eerste telefoontjes die ik pleeg is met de woordvoerder van Proximus, Fabrice Gansbeke. Belgacom bestaat immers niet meer sinds 2015. Een oud uniform kan slechter terechtkomen, vindt Gansbeke. “Op zich is het niet ongewoon dat bedrijven na een naamswijziging oude kledij een tweede leven willen geven. Bij Proximus is de regel dat dat enkel buiten Europa kan.” Gansbeke voegt eraan toe dat hij ooit een bus van De Lijn door Cuba zag rijden, wat vermoedelijk volgens dezelfde principes door de beugel kan, al kan hij niet voor De Lijn spreken. “Enkel als het merklogo wordt verwijderd, mag de kledij overal hergebruikt worden.”
Maar als ik even doorvraag, kom ik te weten dat het in de praktijk “natuurlijk moeilijk is om logo’s te verwijderen zonder de kledij te beschadigen”, aldus Gansbeke. “Hoewel we zoeken naar duurzamere oplossingen, wordt vandaag alle branded kledij vernietigd zodra werknemers hun oude uniformen inleveren.” Niet de tweedehandsindustrie, maar de verbrandingsoven blijkt de gebruikelijke eindbestemming van een versleten tenue. Dat is even slikken.
Lees het volledige artikel voor De Morgen: https://www.demorgen.be/nieuws/hoe-een-belgacom-overall-in-ghana-de-weinig-duurzame-processen-van-de-textielsector-blootlegt~b2d0a8eb/
Ik reisde naar Ghana met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistiek.
